Wat is de impact van de nieuwe Wlz-tarieven 2027?
Op 12 maart jl. heeft het Centraal Planbureau (CPB) het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 gepubliceerd. Op papier is de boodschap helder: de Wlz-tarieven voor 2027 worden geïndexeerd met 3,31%. Maar in de praktijk kan dit een vertekend beeld geven. Door lagere nacalculaties, onzekere cao-ontwikkelingen en stijgende energieprijzen ontstaat een spanningsveld tussen vergoeding en werkelijke kosten.
In dit artikel zetten we uiteen waar dat verschil vandaan komt en wat dit betekent voor de financiële ruimte in 2027.
Wlz-tarieven (zzp’s) geïndexeerd met 3,31% voor 2027
Op basis van de CEP wordt de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA) en prijs particuliere consumptie (PPC) berekend. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gebruikt de OVA en de PPC bij het jaarlijks indexeren van de loon- en materiële component in de Wlz-tarieven. Uit het CEP 2026 volgt dat de prijsontwikkeling voor zowel loon als materieel lager ligt dan op basis van de CEP 2025. Dit leidt tot een nacalculatie in de Wlz-tarieven voor 2027. De Wlz-tarieven (zzp’s) worden naar verwachting geïndexeerd met 3,31% voor 2027.
Looncomponent: definitieve OVA 2026 lager dan geraamd
Elk jaar wordt de looncomponent in de Wlz geïndexeerd met de OVA. Deze wordt jaarlijks berekend op basis van de CEP. In de tarieven voor 2027 (t) houdt de NZa rekening met een correctie op de definitieve indexcijfers voor het huidige jaar op basis van een nacalculatie (t-1). Voor 2027 bedraagt de verwachte loonstijging 3,96% (t). Voor het bepalen van de nacalculatie kijkt de NZa naar het verschil tussen de voorlopige OVA 2026 en de definitieve OVA 2026. Indien de definitieve OVA anders uitvalt dan de voorlopige OVA, vindt via de nacalculatie een correctie plaats. Deze correctie wordt meegenomen in de tarieven voor 2027.
In het CEP staat voor 2026 een definitieve OVA van 4,14%. Dit is lager dan de voorlopige OVA-ruimte van 4,24% en resulteert in een verwachte nacalculatie van –0,09%[1] die in de tarieven voor 2027 landt. De indexatie van de looncomponent voor 2027 in de Wlz bedraagt per saldo 3,86%[2].
Materiële component: correctie via PPC
Voor de materiële kosten geldt eenzelfde systematiek, waarbij de materiële component jaarlijks wordt geïndexeerd met het prijsindex particuliere consumptie (PPC). Voor 2027 verwacht het CPB een kostenstijging van 1,77% (t) voor de materiële kosten. Voor het bepalen van de nacalculatie van de materiële component kijkt de NZa naar het verschil tussen het voorlopige PPC 2026 en het definitieve PPC 2026. Het definitieve PPC 2026 komt uit op 1,43%. Dit is lager dan het voorlopige PPC 2025 van 2,10%. Het verschil tussen het voorlopige en definitieve indexcijfer leidt tot een nacalculatie van –0,66%[3] (t-1). De materiële component wordt voor 2027 geïndexeerd met 1,10%[4].
Totale Wlz-tariefindexatie 2027: 3,31%
Onderstaande tabel geeft inzicht in hoe de indexaties tot stand zijn gekomen. Voor het bepalen van de Wlz-tariefindexatie geldt gemiddeld genomen een loon/materieel verhouding van 80%/20%[5] in 2027.
| Indexatie Wlz-tarieven | 2026 | 2026 |
|---|---|---|
| Loon | 5,24% | 3,86% |
| Loon t-1 | 0,96% | –0,09% |
| Loon t | 4,24% | 3,96% |
| Materieel | 4,54% | 1,10% |
| Materieel t-1 | 2,39% | –0,66% |
| Materieel t | 2,10% | 1,77% |
| Tariefindexaties | 5,09% | 3,25%[6] |
VVT en GHZ: Beperkte loonruimte door cao-overloop en timing
Cao’s in zowel de VVT- als GHZ-sector lopen in 2026 af (respectievelijk per 31 augustus en 31 december). Daarmee ontstaat onzekerheid over de beschikbare loonruimte in 2027. De vergoeding voor loonontwikkeling komt uit op 3,86% (inclusief nacalculatie). Bestaande cao-afspraken werken echter deels door in 2027 als gevolg van loonstijgingen gedurende het jaar 2026 (de zogenaamde ‘overloop’).
Voor de VVT bedraagt deze overloop 1,75%[7], als gevolg van de loonsverhoging van 3,5% per 1 juli 2026. Om in 2027 op een kostenneutrale tariefindex voor de looncomponent uit te komen resteert een ruimte van 2,11% nieuwe cao-afspraken voor 2027. Een loonstijging van 2,11% per 1 januari, of een loonstijging van 4,22% per 1 juli passen beide in de loonruimte voor 2027 (waarbij de laatste ook impact heeft op de loonruimte van 2028).
Voor de GHZ ligt de overloop hoger, op 2,35%[8]. Deze overloop volgt uit cao-afspraken van 2% per 1 mei 2026 en 2% per 1 november 2026, die doorwerken in 2027. Dit resulteert in een resterende loonruimte van 1,51% per 1 januari (of 3,02% per 1 juli).
De feitelijke loonruimte hangt daarmee sterk samen met de timing van cao-afspraken. Latere ingangsdata creëren de ruimte in het eerste jaar, maar verschuiven lasten naar de toekomst.
Energieprijzen drijven inflatie boven ramingenDe inflatieramingen uit het CEP 2026 laten een afvlakking van de loon- en prijsstijgingen zien in de komende jaren. Het CPB gaat uit van een inflatie van 2,3% in 2026 en 2,1% in 2027. Deze raming steunt op afnemende loongroei, lagere prijsdruk vanuit energie en voedsel en rustiger internationale markten.
Deze cijfers zijn echter gebaseerd op eerdere marktinformatie. Recente geopolitieke ontwikkelingen, met name de escalatie in het Midden-Oosten, zitten nog beperkt (eigenlijk niet) in deze ramingen verwerkt. Juist deze ontwikkelingen hebben direct invloed op olie- en gasprijzen en daarmee op de inflatie.
In een variant op basis van actuele marktverwachtingen komt de inflatie in 2026 circa 0,6 procentpunt hoger uit. In een zwaarder scenario loopt dit effect op tot 1,5 procentpunt. De kans dat de feitelijke inflatie hoger uitvalt dan nu in de tarieven is verwerkt, neemt daarmee toe.
Kosten stijgen sneller dan tarieven volgen
De materiële component van de Wlz-tarieven steunt op een inflatiebeeld dat uitgaat van afnemende prijsdruk, terwijl de actualiteit juist op opwaartse risico’s wijst. Hierdoor ontstaat een reëel risico dat kosten voor energie en inkoop sneller stijgen dan de vergoeding in de tarieven. Dit effect beperkt zich niet tot de directe kosten. Ook bouwkosten staan onder druk, doordat materialen zoals staal en beton sterk afhankelijk zijn van energieprijzen in het productieproces. Stijgende energieprijzen werken daarmee door in investeringskosten.
Marktrente loopt op door geopolitieke onzekerheid
Daarnaast blijft de renteontwikkeling relevant. Vanwege de toegenomen inflatieverwachting door de oorlog in het Midden-Oosten laat de lange marktrente een opwaartse beweging zien. Dit vertaalt zich in hogere financieringslasten voor nieuwe investeringen en herfinancieringen. De ECB-beleidsrente heeft zich gestabiliseerd in de afgelopen maanden, maar in welke mate dat voor geheel 2026 het geval is hangt ook in sterke mate af van de impact van de oorlog in het Midden-Oosten op inflatie en economische groei.
Hoewel de mogelijke prijsstijgingen een negatieve impact hebben op het resultaat van 2027, gaat het waarschijnlijk om een tijdelijk effect aangezien de prijsstijgingen via de nacalculatie in 2028 alsnog vergoed worden. Als de prijsstijgingen dermate hoog oplopen kan er besloten worden om de MEV als basis te gebruiken voor de tariefindexaties (net als in 2022 op verzoek van VWS is gedaan als gevolg van de hoge inflatie dat jaar).
Impact op uw Zorgorganisatie
De cao-afspraken, lagere tariefindexatie en onzekerheid in de kostenontwikkeling hebben de komende jaren impact op de exploitatie van zorginstellingen. Zonder eventuele bijsturing heeft dit een negatieve impact op de investeringscapaciteit en de financiële positie van uw organisatie. De meerjarenraming is een zeer geschikt middel om de effecten en consequenties te kwantificeren en door te rekenen. Aanvullend geven scenario- en gevoeligheidsanalyses inzicht in de bandbreedte en de impact van afwijkingen. Deze combinatie ondersteunt het maken van onderbouwde keuzes in strategie en investeringen.
Wilt u verder kijken dan de begroting en weten wat dit betekent voor de haalbaarheid van uw strategisch (vastgoed) beleid en financiële continuïteit? Neem contact op met Daan van Houtum om hier vrijblijvend over te sparren.
[1] De berekening voor de nacalculatie in de looncomponent is als volgt: (1 + 0,0414) / (1 + 0,0424) – 1 = –0,09%
[2] De berekening voor de indexatie van de looncomponent is als volgt: (1 + –0,0009) * (1 + 0,0396) – 1 = 3,86%
[3] De berekening voor de nacalculatie in de materiële component is als volgt: (1 + 0,0143) / (1 + 0,0210) – 1 = –0,66%
[4] De berekening voor de indexatie van de materiële component is als volgt: (1 + 0,0066) * (1 + 0,0177) – 1 = 1,10%
[5] De verhouding tussen loon en materieel is gebaseerd op het gemiddelde aandeel van de loon- en materiële vergoeding binnen ZZP4 t/m ZZP8 (VV, LG en VG).
[6] De berekening voor de Wlz-tariefindexatie is als volgt: 80% * 3,86% + 20% * 1,1% = 3,31%
[7] De berekening voor de overloop binnen de VVT is als volgt: 3,5% * (6/12) = 1,75%
[8] De berekening voor de overloop binnen de GHZ is als volgt: (2% * 2% * (4/12)) + (2%* (10/12)) = 2,35%
